
Jurisprudentie
AV4666
Datum uitspraak2006-03-09
Datum gepubliceerd2006-03-14
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/6812 AW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-03-14
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/6812 AW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Kunnen de besluiten inzake de beëindiging van de opleiding tot rechter en de afwijzing van de gewenste benoeming tot rechter in de strafsector in rechte standhouden?.
Uitspraak
04/6812 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het bestuur van de rechtbank [Arrondissement], verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Eiser heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van
3 november 2004 (hierna: bestreden besluit) waarbij het bezwaar tegen een jegens hem genomen beslissing van 26 april 2004 deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond is verklaard.
Namens verweerder is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 26 januari 2006, waar eiser niet is verschenen en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. H.F.M. Hofhuis, voorzitter van verweerder, bijgestaan door mr. M.B. de Witte-van den Haak, advocaat te ’s-Gravenhage.
II. MOTIVERING
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Na een niet geslaagde opleiding tot rechter in de rechtbank Amsterdam - de opleiding in de sector strafrecht was succesvol verlopen maar de opleiding in de sector civielrecht is niet goed afgesloten - en na een evenmin geslaagde herkansing bij (de sector civiel-recht van) de rechtbank [Sector] is eiser (geboren in 1954 en voorheen universitair docent, civilist) bij koninklijk besluit van 7 mei 2003 benoemd tot rechter-plaatsvervanger in de rechtbank [Arrondissement]. Met de benoeming werd niet beoogd eiser in opleiding te nemen tot (gewoon) rechter. Eiser werd ingezet als rechter- plaatsvervanger in de strafsector zonder perspectief op overstap naar een rechterlijke functie.
1.2. Op zijn verzoek is eiser op 5 januari 2004 gestart met een op zijn situatie toegesneden korte (voor)opleiding in de sector civielrecht. Deze opleiding was erop gericht te bezien of het werk van eiser van dusdanige kwaliteit zou zijn dat het vertrouwen in een verdere, binnen afzienbare tijd te verwachten, doorgroei van hem tot het rechtersniveau gerechtvaardigd zou zijn.
1.3. De opleiders, daarin gesteund door drie andere leden van de opleidingskamer, hebben geconcludeerd dat het werk van eiser, ondanks zijn grote inzet, over de hele linie onder de maat was. Op grond daarvan heeft verweerder besloten de opleiding te beëindigen. Hij heeft eveneens besloten het verzoek van eiser om hem in aanmerking te brengen voor benoeming als (gewoon) rechter in de strafsector af te wijzen.
2. Eiser heeft in beroep de Raad verzocht, voorzover thans nog van belang, verweerder op te dragen de opleiding tot rechterschap voort te zetten en hem als strafrechter te doen aanstellen.
3. De Raad overweegt als volgt.
3.1. Het beëindigen van de opleiding.
3.1.1. Aan het beëindigen van de opleiding is ten grondslag gelegd de onder 1.3. vermelde conclusie van eisers opleiders. De Raad moet daarom toetsen of de door de opleiders gemaakte beoordeling van eisers functioneren een deugdelijke grondslag biedt voor de beëindigingsbeslissing.
3.1.2. Namens verweerder is er terecht op gewezen, met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 6 oktober 2005,
LJN AU4260 en TAR 2005, 179, dat die toetsing terughoudend moet zijn en voorts dat de beoordeling niet los gezien kan worden van de situatie waarin deze plaatsvindt.
3.1.3. Voorzover mogelijk is van de kant van verweerder concreet aangegeven dat de door eiser gemaakte vonnissen tekortschoten. Dit is door eiser ook niet wezenlijk betwist. Hij vond het zelf “evident dat (hij) de kunst van het vonnissen schrijven niet al te snel onder de knie zou krijgen”. Gelet op de voorgeschiedenis van eiser, op de omstandigheid dat hij nu voor de derde maal een opleiding tot rechter genoot en op het feit dat eiser niet op korte termijn verwachtingsvolle resultaten kon laten zien, berust naar het oordeel van de Raad de conclusie van de opleiders niet op onvoldoende gronden en mocht verweerder zijn beslissing op die conclusie baseren.
3.1.4. De grieven van eiser dat hij meende dat de duur van de opleiding even lang zou zijn als de door hem gevolgde cursus “vonnissen schrijven” duurde, dat niet het afgesproken aantal comparities gehouden is en dat van een aantoonbare opleiding van de kant van de opleidingskamer geen sprake is geweest, doen naar het oordeel van de Raad
- de juistheid van de grieven nog in het midden latend - niet af aan het evengegeven oordeel. Gelet op de bijzondere, ongebruikelijke situatie van een derde kans mocht verweerder op korte termijn van eiser een zodanig resultaat eisen dat voortzetting van de opleiding in de sector civielrecht kansrijk zou zijn. Daarvan was geen sprake.
3.2. De gewenste benoeming tot rechter in de strafsector.
3.2.1. Tegen de afwijzing van zijn verzoek hem in aanmerking te laten komen voor benoeming tot rechter (in de strafsector) heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat het aangescherpte beleid, de leeftijd van eiser en het feit dat hij geen strafrechtspecialist is, aan honorering van zijn verzoek in de weg stonden.
3.2.2. De Raad acht deze door verweerder gegeven motivering van de afwijzing in rechte houdbaar. Er zijn geen gronden voor eisers standpunt dat verweerder niet (ook) aan eiser de eis mocht stellen van geschiktheid voor inzetbaarheid in meerdere sectoren. Deze eis is neergelegd in het beleid dat verweerder heeft aangescherpt - en naar het oordeel van de Raad heeft mogen aanscherpen - om zo in de pas te lopen met het beleid bij de andere rechtbanken. Aan de contacten met verweerder kan eiser geen in rechte te honoreren verwachtingen ontlenen dat die eis voor hem niet zou gelden. Aan de overgangsmaatregel voor oudere rechters (55 jaar en ouder) kan eiser evenmin rechten ontlenen, terwijl tot slot verweerders standpunt juist is dat eiser niet kan worden aangemerkt als strafrecht-specialist. Ook daarom was er geen aanleiding om ten gunste van eiser van het beleid af te wijken.
4. Op grond van het bovenstaande komt de Raad tot de conclusie dat het beroep van eiser ongegrond moet worden verklaard.
5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2006.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) A.D. van Dissel-Singhal.
Q.

